De avond voor vertrek uit Yogyakarta heb ik een afspraak met Hester. Hester is een studiegenote die nu met haar Indonesische vriend op Java woont. Ze brengt het jaar echter deels door in Aceh, waar ze ontwikkelingswerk doet voor Oxfam naar aanleiding van de grote tsunami 5 jaar geleden. Door een beetje te puzzelen met mijn reisschema (lees: een paar extra dagen rondwandelen en lezen) kan ik haar treffen als zij ook in Jogja is. We hebben een lekkere hap gegeten en ik heb eens wat beter kennis kunnen maken met haar vriend Happy. Happy heeft een boekenwinkeltje in de backpackersbuurt in Jogja. Verder regelt hij ook tours voor touristen, onder andere naar de vulkanen Bromo en Kawah Ijen. Met wat telefoontjes is alles vlug geregeld en zo gaat de koers verder oostwaarts voor wat serieus reis- en klimwerk. In drie dagen trek ik van Yogyakarta op centraal Java over Bromo en Kawah Ijen naar Bali. Dat houdt in: meer dan 600 kilometer met de bus, terreinwagen en veerboot, twee keer van zeeniveau naar bijna 3 kilometer hoogte, van een graad of 30 naar een graad of 5 en de klok 1 uur vooruit. Stevige kost voor de wereldreiziger dus.
De rit naar Bromo gaat vrij vlot. Centraal en oost Java zijn stukken vriendelijker dan west Java. Het is er wat rustiger, de wegen zijn beter en het is er veel minder vervuild. Bij een tussenstop in een wegrestaurant krijg ik m'n eerste tropische bui van betekenis voor de kiezen. En de sluizen gaan dan gelijk ook helemaal open. Onder het geraas van een muur van water die uit de hemel valt nemen we even extra de tijd om een hap te eten. Hopelijk is het op de vulkanen geen noodweer want dan gaat de beklimming niet door. Zo snel als het kwam gaat de bui ook weer over en we rijden verder naar het verkeersknooppunt Probolinggo, aan de voet van het Bromo massief. Vandaar ga je met een busje naar boven tot helemaal aan de rand van de krater. Als we boven aankomen is het donker en fris. De Aziatische medereizigers weten niet waar ze het zoeken moeten met een lekkere 15 graden, vergaan ze van de kou. Dan staat ze nog iets te wachten met de 5 graden de volgende ochtend. Om de zonsopgang te kunnen zien moet je om 3:45 uur uit bed. Een kwartier later vertrek je al. Het is een uurtje rijden naar het uitzichtpunt. En zo sta je om 5 uur 's ochtends boven op een berg in de tropen, kou te lijden om een zonsopgang te kunnen zien. De tocht er naartoe gaat heel vlot want ik ben nog een beetje verdoofd van de slaap.
Met een Jeep dalen we eerst af in de krater om de hele zandzee die daar ligt te doorkruisen. Dan kom je erachter dat de Bromo een echte tourist-trap is. Bij de beklimming van de overzijde van de krater staan we in de file met werkelijk een leger aan Jeeps en andere 4x4's. Bovenop is het fileparkeren. De laatste 100 meter moeten we zelf omhoog lopen. Bovenop de top hebben zich dan al pak-em-beet 150 mensen verzameld. Ik voeg me aan de kant waar de zon niet op gaat achter een manshoge balustrade en zet m'n statief op. Dit is de kant waar je prima uitzicht hebt op de vulkaan zelf en ik krijg gelegenheid om wat mooie foto's te maken. En af en toe doe ik mee met de collectieve oooh's en aaah's. Als de Bromo krater en de erachter gelegen, nog hogere, Semeru langzaam verlicht worden zie je pas op wat voor maanlandschap je uitkijkt. Om de 10 minuten puft de Semeru een flinke pluim rook. De Bromo krater ervoor is goed zichtbaar ondanks een wolk her en der. Als het echt licht begint te worden gaan we weer in de Jeep om de Bromo zelf te beklimmen. Om daar te komen moet je weer naar beneden de zandzee in. Het schijnt dat daar wel eens Japanse toeristen in Astronauten-outfit worden gesignaleerd. De Jeep laten we dan achter op weer een bizarre parkeerplaats, midden in de woestenij. Het laatste stuk loop je (of je huurt een paard). Ten slotte moeten er 250 traptreden bedwongen worden voor een prachtig uitzicht en een flinke teug rotte-eieren-lucht.
Om een indruk te krijgen van het uitzicht op Bromo heb ik even snel een panoramafoto in elkaar gezet. De foto is met behulp van software aan elkaar geplakt en de kleurovergangen zijn daarom niet heel soepel. Maar het resultaat is heel aardig. Klik op de foto om een grotere versie te bekijken.
Vervolgens is er weinig tijd om na te genieten. Na een ontbijtje en een lekker warme douche in het hotel stappen we om 9 uur al weer in de auto. Terug in Probolinggo gaan de meeste medereizigers op de bus direct naar Bali. Ik sluit me echter aan bij Robert en Inge (een Duits-Nederlands stel) om door te reizen naar de veel minder toeristische Kawah Ijen. Omdat we maar met z'n drieën zijn kunnen we met een chauffeur, Bangbang, en een terreinwagen heel comfortabel verder. Die rit is niet alleen ontspannen maar ook heel erg mooi. Hij voert ons langs de oceaan, waar je af en toe mangroves en kleurige vissersboten op een zwart strand kunt zien liggen. En na een uur of 6 klimmen we, eerst tussen rijst- en suikerrietvelden, later door de jungle, over een heel slechte weg langzaam naar het basiskamp. Daar ligt een koffieplantage (Arabica) waar ze ook wat kamertjes runnen die als uitvalsbasis voor de Kawah Ijen beklimming dienen. We gooien onze backpacks daar af en gaan snel door naar hot springs die een paar kilometer verderop liggen. In het warme water daar kunnen de spieren even lekker ontspannen na de klim van vanochtend en de lange autorit. Daarna terug naar de plantage. De kamers zijn wel een beetje muf en het eten is het beroerdste dat ik tot dusver heb gegeten in Indonesië maar ze hebben er heerlijk aarbeiensap van aarbeien die ter plaatse worden gekweekt. Na het warme bad en de frisse berglucht is het heerlijk slapen.
Omdat we nu niet op tijd hoeven te zijn voor een zonsopgang kunnen we iets later uit bed: half 6. De dag begint met een autorit die ons brengt op 3 kilometer van de top. De rest is wandelen, en zolang je daar de tijd voor neemt is het prima te doen. Op weg naar boven delen we koekjes uit aan zwaveldragers. Kawah Ijen is de belangrijkste plaats voor zwavelwinning in Indonesië en dat gebeurt, zoals zoveel hier, gewoon met mankracht. De felgele blokken zwavel, die lijken op purschuim maar veel meer wegen, worden met de hand uit de krater gehaald. Dit gebeurt vlakbij de actieve pijp, waar de werklui ook nog de giftige gassen uit de vulkaan inademen. Er wordt dan zo'n 80 kilo in manden geladen en op de schouders naar boven, de krater uitgetild. Ik heb zelf even geprobeerd maar ik kreeg die manden niet eens opgetild. De mannetjes die zelf niet veel meer dan 60 kg kunnen wegen klauteren niet alleen de vulkaan uit maar doen daarna nog een afdaling van 3km. Soms nog aan een peukie trekkend ook! Deze mannen moeten wel longproblemen krijgen. Ze doen dit werk dan ook alleen in het droge seizoen, en om de dag. Daarmee verdienen ze zo'n 50.000 roepia (= 3,5 euro). Dat schijnt een heel redelijk salaris te zijn.
De tocht naar boven, het uitzicht en de geur zijn indrukwekkend. Vooral de kleuren zijn overweldigend. Het sulfur dat de mannen dragen is een duivels geel. De rook en de wolken zijn fel wit. Op grote hoogte is de lucht helder blauw. En dat alles tekent zicht af tegen grote onmogelijk gestapelde rotsblokken, die vaal grijs zijn, met rode en bruine vlammen. Helemaal bovenop is de finale nauwelijks in woorden te vatten. Als de wolken wijken en de rotsmuren en steenkammen zich blootgeven komt er een turquoise zwavelmeer te voorschijn dat bijna de hele krater vult. Het water is heeft een hele vreemde groene kleur. Het is lieflijk en vals tegelijk. Dit is een plek van superlatieven en je beseft je hier nietigheid. Samen met Robert daal ik af in de krater. Mijn schoenen zijn helaas zo glad dat ik niet verder kom dan een honderd meter van de bodem. Robert haalt het wel en brengt nog wat fantastische foto's mee terug. De afdaling is moeizaam. Ik blijf uitglijden (volgende keer toch maar weer de wandelschoenen inpakken). Een van de zwaveldragers helpt me nog door eigenhandig een boom voor me te slopen, en ik daal verder af met een geïmproviseerde wandelstok. Moe maar voldaan gaat de weg verder naar de Banyuwangi, de veerpont, en dan Bali.